Het verhaal van Peter van der Winden

Het dorp.

Ee (Ie) Ik kreeg niet de indruk dat het ook hier oorlog was, zoals ik dat in Rotterdam meemaakte. In 1942 ik was 9 en had mijn vader in een blad gelezen dat er een jongen in Friesland was, die wilde corresponderen. Omdat er in Rotterdam maar weinig scholen beschikbaar waren als school – de bezetters logeerden daar – liepen kinderen wat achter in hun schrijfkennis. Dus corresponderen, was een goede praktijkoefening en na enige tijd ging mijn eerste brief op de post. Eigenlijk wist ik niet eens waar

of wat Friesland was en dus eerst in de schoolatlas opgezocht.  Ik woonde in de grote stad Rotterdam, die toen bijna platgebombardeerd was en kon niet begrijpen wat het verschil was met een dorp. Er rijden daar geen trams, wel een bus zo nu en dan, er is geen haven, geen station, geen vliegveld, geen voetbalstadion, zei mijn vader. Ik heb toch uiteindelijk mijn eerste brief geschreven: hoe gaan het met jouw en je fader en moeder met mijn gaan het goet en memme fader en moeder ook. Nou dag.
Schrijven valt voor een negenjarig jochie echt niet mee. Het duurde een paar maanden voordat ik antwoord kreeg, dus het was daar in het verre Friesland ook al niet mekkelijk.  
De situatie in Rotterdam werd er niet beter op, maar niet echt heel slecht al. De beide moeders hadden het schrijven overgenomen van de zonen, ofschoon geen van beide echte veelbelovend schrijftalenten waren.  Daar in het Noorden had men ook niet een kijk op hoe het in Rotterdam was en er kwam het voorstel in 1943, laat hem met de vakantie hier naar toe komen. En zo gebeurde het ook. Mijn moeder ging mee en met de trein van Rotterdam naar Leeuwarden. We moesten meerdere keren overstappen of wachten als er bomenwerpers overvlogen maar we kwamen in Leeuwarden. Van daar met de bus naar Dokkum om over te stappen naar Ee. Die aansluiting was er even niet en we konden met een vrachtauto uit Ee meerijden.  Al met al, nogal een pittige onderneming en we hadden ook wat problemen met de taal die daar onderling werd gesproken. De echte Friese taal kenden we niet. Nog niet.  De eigenaar van de vrachtauto had een ketel op de auto staan om op te rijden, want benzine was er niet. Toen we er waren moesten we alleen een heuvel op richting kerk, nadat Wietse ons had opgehaald. Het huis dat nu bekend staat met adres Omgong 12, daar moesten we zijn.
Ik ben hier een aantal jaren geleden geweest en heb gezien dat dit huis nogal verbouwd was.
Wat ik me van dit huis herinner, probeer ik te schetsen, zodat misschien de huidige bewoners dat kunnen herkennen.
De verhoudingen zullen niet kloppen, maar de indeling vrijwel zeker. Onder de beide bedstees was een lage kelder, met een klein deurtje in de gang, Hier was min of meer de koelkast en daarboven sliepen het echtpaar, de twee zoons en ik. Er was geen stromend water en geen toilet, geen gas. Koken in de bijkeuken op het vuur in de schouw en op een petroleumstel. De waterput voorzag in steenkoud water. Er was wel electra. Achter de woning, een kleine tuin met een dubbele schuur, waar in het eerste deel het beroemde tonnetje en daar werd ook de vis gebakken. In het tweede deel twee konijnen, fietsen en opslag.
De voorkamer, gang en bedstees waren wat hoger dan het achterhuis. Over het hele huis een zolder, direct onder de pannen, bereikbaar met een losse trapleer in de bijkeuken. Ik zou niet meer weten waar mijn moeder heeft geslapen, maar de andere dag is zij teruggegaan naar Rotterdam. Ik dacht een stukje Fries leven te gaan ontdekken.

Zo was ik dus de vakantiegast van de familie Sijtsma, man en vrouw en de twee zonen. Sietse de oudste, mijn correspondent, was een stuk groter en forser dan ik, een negenjarig Rotterdams scharminkeltje, en Sietse een goed jaar  ouder. Piet, de jongste, was toen 4 of 5 jaar.
Onderlinge gesprekken kon ik niet volgen, maar na een paar dagen begreep ik er wel wat uit. Met schoenen aan in huis, was niet de bedoeling en ik kreeg klompen. Voor het eerst van mijn leven. Tsjonge, wat deden die dingen zeer, dus in het begin moeilijk lopend en dan gaat het later steeds beter. De Omgong was een smal straatje rondom de kerk en het kerkhof en wij woonden aan dat straatje, aan de andere kant van de heg. Op Zondag twee keer naar de kerk met een zinken muntje en tussendoor naar de Zondagschool en bij goed weer een stukje rennen langs de dijk. Hier probeerden de grote knullen een meidje te strikken, wij hadden een ander doel. Distels vinden en papavers plukken.
Het dorp, zit nog steeds in mijn geheugen, zoals ik dat toen kon waarnemen. Van af de kerk aan de Omgong, de terp af naar beneden, was een unieke straat. Links vooraan een bakker, rechts daartegenover het gebouw van de Openbare School. Iets verder aan de linker kant een mini-warenhuis. Voor briefpapier, potten en pannen, prentkaarten en zo voorts. Even verder aan de rechterkant de smid van Scherjong. Paarden werden voor de deur beslagen en binnen was het smidsvuur. Een boeiende belevenis.  Dat was nog niet alles, want even verder aan de linkerkant van de straat, was een kruidenier en helemaal aan het eind was een bedrijf in lampen en electrische apparaten. Dan een klein stukje naar links en daar was het transportbedrijf, waar een oude halfgesloopte vrachtauto stond. Leuk speelterrein.
Ging je onderaan de terp naar rechts, dan kwam je op een kruispunt met links een zinker voor de sloot op de weg naar Dokkum. Rechtdoor was richting Tibma en ging je rechtsaf kwam je bij de bushalte. Dat was tegenover de plaatselijke herberg/cafe en nog meer. De herbergier was eigenaar van een forse hengst en er werden hier spectaculaire voorstellingen gegeven en er was dan altijd wel volk om het te aanschouwen. Dan kwam een boer met zijn merrie en werden eigenaren en paarden een stuk gelukkiger. Schuin hier tegenover was een laantje omhoog richting kerk en op de hoek was een bakker en een slager.  Toen ik hier een enkel jaar geleden was, heb wel de slager gezien, maar verder niets. Volgens mij was er in dit laantje ook een winkel in groenten en fruit.Even verder op de weg naar Metslawier, was de school en een grote boerderij. Iets verder was links een laantje met een paar kleine huizen. In het laatste huisje woonde Daniel met zijn moeder, die weduwe was en mindervalide. In de grote stal van die boerderij mochten we weleens spelen en konden we klimmen op grote strobalen. Soms ontdekte je daar een verlaten nest met eieren van de loslopende kippen. Deze boer had ook wat schapen in de wei ernaast. Tot zover mijn eerste bezoek.

Aan  het eind van de vakantie kwamen mijn twee broers op de fiets naar Ee en ben ik teruggaan naar Rotterdam. Het was een periode waar de orlog in Rotterdam ging meespelen en we niet of nauwelijks eten hadden. Ik hoefde niet naar school en ik ging al in het voorjaar 1944 terug naar Ee. Hier was nog steeds de situatie zodanig dat er gegeten kon worden. Misschien iets minder, maar dat is voor mij ongemerkt gebleven. Ik had het er goed. Hier kon ik ook naar school en ik had het er best naar het zin. We gingen stekelbaarsjes vangen, eendeneieren rapen, polstokspringen, iets wat op kaatsen leek en fietsen. De klompen gaven geen problemen meer en zo sjouwden we in en rond het dorp. Pake Sytsma woonde op een klein boerderijtje in Tibsma, had daar aan het huis een zwaluwnest, had 2 koeien een paard en een wagen met drie wielen. Onderweg naar Tibma was de plek waar de beroemde tonnetjes geleegd werden. Een grote gemestelde bak, met daar boven op palen een dak. Met een beetje zon, gaf dat een indringende geur. Ik werd uitgedaagd om op het smalle muurtje rondom de bak met stront te lopen. Dat ging heel goed, totdat er een jongen was die zorgde voor een klein duwtje en ik viel. Inderdaad naar de verkeerde kant en ik moest er zelf zien uit te komen. En zo kwam ik onder de stront weer thuis en ik werd op de bleek gezet en met meerdere emmers koud water schoongespoeld. En een grote groep knullen juichend er bij. Iedereen in het dorp bleek op de hoogte te zijn en hadden nogal wat pret. Ik niet, mijn klompen stonden ook vol.
In die tijd werd het huis aangesloten op de waterleiding en er kwam 1 kraan op ca. 30 cm hoog van de vloer in de bijkeuken. Afvoer heb ik niet meer meegemaakt.
Ik heb begrepen dat er nu een goede riolering is en het woongenot goed is.
Na schooltijd had Daniel tot taak om de schapen van de Boer te melken en wij hielpen hem, zo goed als we konden. Maar we konden er niets van.  Wat er met de schapenmelk gebeurde is mij ontgaan, wel dat er vaker Duitse militaire vrachtwagen door het dorp reden en de soldaten op zoek waren naar onderduikers.  De Duitsers lieten op de weilanden grote ballonnen op, om te voorkomen dat er vliegtuigen konden landen. Veel vliegtuigen vlogen vaak over, als die op weg waren naar Duitsland om daar te bombarderen. Als jochies hadden we al ontdekt waar de onderduikers waren, de boer had in de schuur in de balen stro een klein kamertje gemaakt. Om daar te komen moest je door smalle gangen kruipen en het was stikkedonker. In het kamertje waar de onderduikers zaten was een klein lampje op een batterij voor een heel klein beetje licht. Als de Duitsers weer weg waren speelden wij daar en of dat ook mocht, dat weet ik niet. Het was wel spannend. Ik kan mij niet herinneren of de Duitsers er vaak kwamen in Ee, dus van de oorlog merkten we niet zo veel.  Wij als kinderen al helemaal niet.
Begin 1944 was ik er weer, nu al een beetje op de vlucht voor de honger en alle daarbij komende ellende. Ik kon hier bijna normaal eten krijgen en buitendien ik kon naar school.Daar werd Nederlands gesproken, ofschoon ik het Fries inmiddels iets beter kon verstaan en zelfs spreken. De school was maar van korte duur, ik werd ziek en belandde met hoge koorts en buiten bewustzijn in de bedstee. Huisarts Dr. Ruinen kwam bijna dagelijks op bezoek en ik heb de man nooit gezien. Zijn diagnose was een ontsteking in de hersenen en de afloop was heel onzeker Zo heb ik dat later gehoord en ook dat hij met de auto niet buiten de gemeente mocht rijden.  Een auto met gasgenerator en hij vond het gewenst om overleg te hebben en de juiste medicijnen te krijgen, door naar  Groningen te gaan. Geen auto?, dan per paard, Hoe dat verder verlopen is, weet ik niet en kan het ook niet meer aan iemand vragen. Feit is dat ik weer wat opknapte en even naar buiten mocht. Ik voelde me al gauw goed genoeg om wat te wandelen en langs het water richting Tibma waren twee knullen pulletjes aan het dood gooien. Ik heb die twee in het water gesodemieterd en kon gelukkig met een paard en wagen meerijden naar huis.  Nog steeds spijt het mij enorm, dat ik de dokter nooit heb ontmoet, of  gezien. Hij heeft mij verzorgd en ongetwijfeld voor mijn genezing gezorgd.  Na de oorlog ben ik als 13-jarige weer even in Ee geweest en toen bij zijn monument bij de kerk geweest. Hoorde toen wie en wat hij was geweest, een man van het verzet en kort voor het einde van de oorlog opgepakt en vermoord. Telkens  als ik weer een keer in Ee ben – de laatste keer 3 jaar geleden – ga ik als eerste naar het kerkhof , groet ik hem. Dan u wel dokter. Ik bedenk mij nu, dat het voor de familie Sijtsma nogal een opgave moest zijn geweest aan zorg in inspanning. Ze zijn niet meer.
Ee bezoek ik vaak op jullie site, en ofschoon ik er niemand meer ken, kom ik er graag. Praatje maken met de mevrouw van It Tomke, dames van de cafetaria, de slager en ik val gewoon wel eens iemand lastig met mijn vragen.
Ik ben nooit erg lang gebleven, en toch heb ik bergen herinneringen, die zal ik maar niet meer opschrijven.